Interview | Harmen van Wijnen over hoe de kerk de jeugd kan bereiken

Voor het themanummer over opvoeden van christelijk opinietijdschrift De Nieuwe Koers interviewde ik Harmen van Wijnen over de problematische relatie van jongeren met de kerk. Is die echt zo slecht? Dit interview verscheen in het meinummer van 2017.

Help, mijn kind wil niet meer naar de kerk

Harmen van Wijnen (49) dacht in zijn promotieonderzoek aan te gaan tonen hoe diep de kloof tussen jongeren en de kerk is. Maar hij kwam erachter dat er helemaal geen kloof is. De kerk heeft alleen geen oog voor hoe jongeren samen kerk zijn.

 

Wat moet je als ouder, als je kinderen ervoor kiezen om niet meer naar de kerk te gaan? Harmen van Wijnen, bestuursvoorzitter van de Christelijke Hogeschool Ede, kent het dilemma uit eigen ervaring. Zijn promotieonderzoek dat hij vorig jaar afrondde, ging in eerste instantie dan ook uit van een kloof tussen jongeren en de kerk.

Maar het liep anders. Er is eigenlijk helemaal geen kloof, constateerde hij. Sterker nog, de vriendengroepen van jongeren fungeren als een kerk. Het verschil met de traditionele kerk is vooral de vorm. “Voor jongeren is het samenzijn belangrijker dan de georganiseerde vorm van kerkzijn”, vertelt Van Wijnen in zijn kantoor op de CHE.

“De kerk moet niet proberen de jongeren binnen te halen met allerlei activiteiten en evenementen, maar oog hebben voor de sociale verbanden waarin zij zich bewegen, de reeds bestaande vriendengroepen.”

 

Organiseert de kerk eens iets voor jongeren, is het weer niet goed.
“Daar moet de kerk ook niet mee stoppen. Waar jongeren vooral moeite mee hebben is dat in de kerk veel nadruk ligt op de formele, haast administratieve relatie. Ze zijn als kind gedoopt en het zou fijn zijn als ze belijdenis gaan doen en lid worden of blijven van de gemeente. Lid zijn als individu is verschrikkelijk belangrijk, valt ook samen met de theologie. Jongeren zeggen: hoezo moet ik lid zijn van een kerk? Er zijn ook andere dingen? Ze gaan naar Soul Survivor of – in die tijd – het Flevofestival waar ze met elkaar over het geloof praten op een positieve manier.  De activiteiten die de kerk organiseert zijn er vooral op gericht jongeren in de kerkdiensten te krijgen of ze lid te maken. Wat daar onder zit, is de veronderstelde kloof tussen de kerk en de jeugdcultuur. De conclusie van mijn onderzoek was uiteindelijk: er is helemaal geen kloof. Die wordt alleen maar geconstrueerd als je blijft denken in termen van ‘ze moeten hiernaartoe komen als bezoeker, en lid worden of blijven.’”

 

Kerkvader Cyprianus zei juist: je moet de Kerk als moeder hebben om God als Vader te kunnen hebben.
“Daar ben ik het ook mee eens, maar je moet de kerk breder zien dan alleen het instituut. In mijn onderzoek kom ik tot drie vormen van kerkzijn. De eerste is het instituut – in de positieve zin van het woord – dat de traditie gaande houdt door de eeuwen heen. De tweede uitingsvorm is de kerk als organisatie. Je moet natuurlijk diensten organiseren en er moet een vorm van geloofsopvoeding zijn, catechese. Dan is er nog de kerk als organisme. Kerkzijn is een samenspel van die drie vormen, waarbij het instituut de drager is door de tijd heen. Het heeft een verbinding met het georganiseerde jeugdwerk, én met het dynamische, de groepen. De kerk kan ontstaan midden in die jeugdcultuur waar jongeren bij elkaar zijn en een gezamenlijke geloofservaring hebben. Individueel lidmaatschap en het bezoeken van een georganiseerde activiteit horen daar voor hen niet bij. De kerk is dan een netwerk, veel meer fluïde.”

 

Van Wijnen is inmiddels opgestaan van zijn stoel en staat met een stift in zijn hand voor het whiteboard dat aan de muur van zijn kantoor hangt. Als een echte onderwijsman heeft hij de drie vormen van kerkzijn – institutioneel, organisatorisch en dynamisch – op het bord gekrabbeld. Het instituut vormt de onderste punt van de driehoek. Tussen alle drie de punten loopt een stippellijn. De boodschap: het instituut faciliteert de organisatievormen en de netwerken. Onderling zijn alle vormen met elkaar verbonden. Tijdens het gesprek staat hij regelmatig weer op om een deel van zijn schematische tekening aan te wijzen waarmee hij zijn woorden extra kracht bij wil zetten.

 

Kerkzijn in een vriendengroep, hoe ziet dat eruit?
“Een mooi voorbeeld is de groep jongeren uit de gereformeerde kerk vrijgemaakt in Zwolle die afgelopen najaar belijdenis deden in de tuin van een gemeentelid. Het ging om een groep jongens die al jaren met elkaar optrokken en dingen met elkaar hebben gedeeld. Serieuze dingen, maar ook plezier. Het is iets echts, iets wat spontaan is ontstaan, niet vanuit het instituut. Die jongens kregen de behoefte belijdenis van hun geloof af te leggen. Geloofsbelijdenis, dat is instituutstaal. Zij hebben daarvoor de predikant gevraagd om als het ware vanuit het instituut op zijn fiets te stappen en naar het informele toe te komen. Daar ligt volgens mij een nieuwe uitdaging voor de kerk: hoe verbind je het informele met het georganiseerde? Daarvoor moet je mensen op die verbindingslijnen hebben die dat kunnen. Die niet de neiging hebben zodra er iets spontaans ontstaat dat op te pakken en naar het instituut over te hevelen. Die dominee in Zwolle had ook kunnen zeggen: ‘Jullie willen belijdenis doen? Prima, van harte welkom volgende week zondagmiddag om vijf uur in de kerk.’”

 

Kun je die sociale groepen dan maar gewoon lekker hun gang laten gaan?
“Er zijn wel lijntjes nodig, al zijn ze maar heel dun. Dit [wijst op de stippellijn tussen ‘instituut’ en ‘netwerk’] is de predikant die op de fiets in spijkerbroek naar die tuin gaat. Dit [stippellijn tussen ‘netwerk’ en ‘organisatie’] is de jongere die meedraait in het jongerenwerk maar ook in allerlei vriendengroepen zit. En dit [stippellijn tussen ‘organisatie’ en ‘instituut’] is de jongerenwerker. Elke vorm kan kerk zijn, maar niet los van het andere. Als individu ben je altijd onderdeel van een groep. Wie je vrienden zijn, bij welke sportvereniging je zit: het bepaalt je identiteit. Het samenzijn gaat vooraf aan het organiseren van zo’n groep. Als je daar oog voor hebt, zou je volgens mij een veel rijkere kerk hebben.”

 

Wat doen die groepen dan met zaken die meer bij de institutionele vorm van kerkzijn horen, zoals dogmatiek?
“Kerkelijke jongeren zijn in hun jonge jaren al ingewijd in het institutionele. Met die geloofssocialisatie is niets mis. Maar vroeg of laat zal er vanuit de praktijk behoefte zijn aan duiding. Wat gebeurt hier, wat is dit? Misschien krijg je zelfs de vraag: ziet hier een theorie onder? Dat is de dogmatiek. In de traditionele kerk is het echter andersom. Er is een strak curriculum in de catechese. De theorie, de leer, wordt uitgelegd. Maar dat staat volledig los van de praktijk waar jongeren mee bezig zijn. Daardoor vinden ze catechisatie vaak saai. Wat ik in mijn jaren op de CHE heb geleerd, is dat leren het meest krachtig is in de praktijk. Dan komen de vragen vanzelf. En dan is het van belang dat hier, op die stippellijntjes, mensen rondlopen die ze daar op dat moment mee kunnen helpen.”

 

Kunnen ouders wiens kinderen niet meer naar de kerk willen ze dan met een gerust hart thuislaten?
Lachend: “Dat ligt er een beetje aan hoe oud het kind is.” Dan, serieus: “Ik zou me eerder zorgen maken als een kind geen vragen gaat stellen over de kerkgang. Een schuurmoment hoort bij de identiteitsontwikkeling. Volgens mij is het en-en. Als kind ben je onderdeel van het gezin. Je hebt er misschien niet zelf voor gekozen om naar de kerk te gaan, maar je gaat gewoon. Net als dat je op zondagmiddag meegaat naar oma. Dat hoort erbij en mag absoluut duidelijk gezegd worden. Tegelijkertijd moet je het gesprek aangaan en de jongere ruimte geven zich los te maken van de voorgedefinieerde groepsidentiteit van het gezin en de kerk. Er vindt een herdefinitie van verhoudingen plaats. Bij de een gaat dat gepaard met conflict, bij de ander gaat het geleidelijker. Maar er is altijd een schuurervaring met instituut. Als je als ouder zegt, je moet per se in de kerk blijven, is de kans groot dat je ze helemaal kwijtraakt. Gun ze de ruimte in hun eigen groepen. We moeten niet te bang zijn dat ze afdwalen. Er is ook nog zoiets als Gods Geest, en die is daar ook aanwezig. Probeer het lidmaatschap van een kerk en theologie los van elkaar te zien. Dus denk niet: ‘Oh nee, mijn kind is nu voor altijd verloren.’ Richt je op de diepere band in het gezin, de liefdesband tussen ouders en kinderen.”

 

U hebt zelf ook kinderen in de adolescente fase. Ziet u dit thuis ook gebeuren?
“Ik heb een heel goede band met mijn kinderen, maar ze zitten niet meer elke zondag twee keer in de kerk. Of één keer. Is dat erg? Ik vind het ergens ook wel weer mooi. Ik was net zo goed onderdeel van hun vriendengroepen als die zich bij ons thuis verzamelden. Ik heb die ontwikkeling zelf ook door moeten maken, want ik zat in het stramien van: ‘Help, mijn kinderen gaan niet meer naar de kerk.’ Door mijn onderzoek ben ik daar veel meer ontspannen in komen te staan.”

 

Harmen van Wijnen

Harmen van Wijnen (1967) promoveerde in 2016 aan de Vrije Universiteit Amsterdam op de relatie tussen jongeren en de kerk. Van Wijnen verruilde zijn loopbaan als partner bij Ernst & Young in 2004 voor het directeurschap van de HGJB. Intussen studeerde hij theologie en werd in 2008 predikant. In 2011 nam hij afscheid bij de HGJB om zich op zijn proefschrift te richten. Sinds 2013 is hij bestuursvoorzitter van de Christelijke Hogeschool Ede.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s