Interview | Marinus van den Berg begeleidde revaliderende coronapatiënten en schrok van wat hij aantrof

Dit artikel verscheen in het Nederlands Dagblad op 17 oktober 2020.

Toen Marinus van den Berg gevraagd werd als geestelijk verzorger coronapatiënten te begeleiden in een revalidatiecentrum, schrok hij van wat hij aantrof. Nu de tweede golf voor de deur staat, maakt hij zich zorgen. ‘De gevolgen van het virus worden onderschat.’

‘We moeten omgaan met de ontdekking hoe kwetsbaar we zijn’

De man was met zijn vrouw op vakantie in Oostenrijk toen ze allebei ziek werden. Naast elkaar lagen ze op hun buik op de intensive care. Zijn vrouw redde het niet, hij wel. Hij kwam in een verpleeghuis terecht voor revalidatie en wist van gekkigheid niet meer waar hij om moest rouwen – het verlies van zijn vrouw, de ogenschijnlijke willekeur waardoor juist zij ziek waren geworden, de onverwachte aanslag van een virus en een ic-opname op zijn lichaam of het feit dat zijn drie dochters nu geen moeder meer hadden? Het zijn te veel grote verlieservaringen voor een mens om in één keer mee te dealen.

Of de vrouw met haar eigen winkel. Een succesvol onderneemster, die met goede psychologische begeleiding juist weer was opgekrabbeld na een burn-out. Ze had geleerd haar grenzen aan te geven en genoot nu van het leven – tot ze met COVID-19 in het ziekenhuis belandde en kunstmatig in coma gehouden werd. Spieren die zo lang niet gebruikt worden, breken snel af. Ze kon zichzelf niet meer wassen, schaamde zich omdat het haar niet goed lukte netjes te eten. Haar lichaam was zo moe. ‘Ik kan niet eens meer mijn hand optillen om mijn eigen tranen te drogen’, zei ze.

Het zijn slechts twee van de vele verhalen die verpleeghuispastor en priester Marinus van den Berg (73) hoorde in de maanden dat hij revaliderende coronapatiënten begeleidde in een verpleeghuis in Rotterdam. Over die periode schreef hij deze zomer het boekje Stap voor stap, opnieuw leven na corona.

Half april 2020 – net toen de eerste coronapatiënten van de ic afkwamen – was hij op straat in Rotterdam een oud-collega tegengekomen. Het was een verpleegkundige met wie hij had samengewerkt op een afdeling voor patiënten met niet-aangeboren hersenletsel. ‘Als ik nog iets voor jullie kan betekenen, hoor ik het wel’, had hij gezegd.

Die avond kreeg hij een telefoontje. Het personeel in het verpleeghuis waar de revaliderende coronapatiënten terechtkwamen, zag zo veel psychisch leed dat ze aan de bel hadden getrokken: deze mensen hadden een geestelijk verzorger nodig. Of Van den Berg langs wilde komen. Hoewel hij al ruim vier jaar met pensioen was, aarzelde hij geen moment.

‘zo ongelooflijk moe’

Wat hij aantrof, maakte diepe indruk op hem. Zoveel machteloosheid. ‘Ik kan u niet vertellen hoe moe deze mensen waren. Zo ongelooflijk moe’, vertelt hij vanachter een kop koffie in het statige hotel Wientjes, tegenover het station in Zwolle, de ochtend voor de persconferentie waarna alles weer op slot zou gaan. Hij is vanuit Rotterdam naar het oosten gereisd voor familiebezoek.

‘De gesprekken met de COVID-19-patiënten duurden niet langer dan tien minuten. Dus ik moest heel goed luisteren naar wat de kern was van wat ze kwijt wilden.’ De omstandigheden maakten het lichamelijke herstel nog zwaarder. De eerste twee weken moesten patiënten in quarantaine blijven. Ze mochten hun kamer niet af en er kwamen zo min mogelijk mensen bij hen langs. Degenen die kwamen, droegen een mondkapje, beschermingsbril en blauw schort. ‘Daardoor staat er meteen een enorme muur tussen mensen in. Ik leerde dat ik dat moest benoemen: ‘We kunnen elkaar geen hand geven, vreemd hè?’ Dat is een erkenning van de vreemdheid voor beide kanten en maakt het iets minder vreemd.’

geen krachtpatser

Luisteren is zijn belangrijkste taak als geestelijk verzorger, vindt Van den Berg. Hij werd geboren in Boerhaar, een klein dorp naast het Overijsselse Wijhe. Na zijn theologiestudie aan wat toen de Katholieke Theologische Hogeschool Utrecht was, vertrok hij voor een jaar naar de Verenigde Staten, waar hij onder de bekende schrijver en pastor Henri Nouwen studeerde. Daar zeiden mensen hem dat hij geschikt zou zijn als geestelijk verzorger. ‘Dat paste ook bij me. Vanaf mijn vijftiende deed ik bijvoorbeeld al vrijwilligerswerk op een vakantieweek voor chronisch zieke mensen van De Zonnebloem’, lacht hij. Maar meer nog, is het zijn karakter. Hij heeft een groot empathisch vermogen en is geen krachtpatser; hij houdt niet van het debat, zoals hij het zelf omschrijft. ‘Ze krijgen mij zo omver, ik ben niet zo snel. Ik vind het fijner om te mijmeren en na te denken. Ik denk dat ik een zekere veiligheid vond in het zijn met kwetsbare mensen, bij wie het niet gaat om wie er gelijk heeft. Ik voel me meer thuis bij met elkaar zien hoe het leven is.’

In dat jaar in Amerika volgde hij een cursus die de rest van die loopbaan zou beïnvloeden: The Patient as Teacher – de patiënt als leraar. ‘Ik weet niet hoe het is om een patiënt te zijn. En als ik dat niet weet, weet ik ook niet hoe ik troost kan bieden. Daarom kom ik altijd bij mensen met de vraag: ‘‘Hoe is het leven voor u op dit moment?’’ Voor de rest doe ik niet zoveel. Ik wil de ander zijn verhaal laten vertellen zonder dat ik oordeel, stuur of duid. Vervolgens vraag ik waar iemand steun aan heeft, zodat ik op dezelfde golflengte kan komen.’

In het verpleeghuis met revaliderende coronapatiënten bleek hij ook iets te kunnen betekenen voor het verplegend personeel. ‘De verpleging was druk met hun lichamelijke verzorging. Maar als deze mensen gewassen werden of – alweer een paar stappen verder – onder de douche konden, kwamen de emoties en de vragen los. ‘Waarom moet ik dit nou krijgen? Wie doet me dit aan? Waar heb ik dit aan verdiend?’ Dat riep bij het personeel veel ongemakken op en was de reden dat ze zeiden: er moet een geestelijk verzorger komen.’

Misschien dacht de verpleging wel dat hij alle oplossingen zou hebben, zegt hij schouderophalend. Die had hij natuurlijk ook niet. Maar wat hij wel kon doen, was zoeken naar het verhaal achter de vragen. Zoals van de net gepensioneerde man die met een busreis naar Oostenrijk was geweest. Hij was ziek geworden, andere reizigers niet. En dat terwijl hij juist aan een nieuwe levensfase zou beginnen waarin hij het rustiger aan zou doen. ‘Hij worstelde met de vraag: waarom overkomt míj dit, en die anderen niet? Ik vroeg hem: ‘Hebt u daar zelf gedachten over?’ ‘Nou ja’, zei hij, ‘misschien is het wel puur toeval.’ Ja, zei ik, misschien moeten we het daar gewoon even op houden. Dat was hij wel met me eens, want hij had nog genoeg andere dingen aan zijn hoofd. Mooi vind ik dat, als ik mensen kan helpen bij hun eigen antwoorden te komen.’

Als verpleeghuispastor is Van den Berg bij honderden ziekbedden en overlijdens betrokken geweest. Toch maakten de coronapatiënten een enorme indruk op hem. Een van de grote verschillen was dat mensen die ernstig ziek zijn, over het algemeen weten dat ze binnenkort zullen sterven. ‘Maar deze mensen waren helemaal niet met de dood bezig; ze waren juist op het leven gericht. Een man was directeur van een grote scholengemeenschap. Die was bezig met nieuwe lesroosters, sollicitaties en een mogelijke fusie.’ Het waren ook niet alleen maar oudere mensen. ‘Ik heb heel veel mensen tussen de 50 en 65 jaar gezien. De jongste was 34. Ze hadden vaak al te horen gekregen dat ze afscheid moesten nemen. Ze waren afgesneden van het contact met hun dierbaren en wisten niet wat hun perspectief was.’

Lichamelijk was revalidatie voor velen een zware weg. Daarbij komt dat het – toen helemaal, maar nu nog steeds – onduidelijk is wat de langetermijneffecten zijn van het virus. Dat maakt dat de impact ervan groot is. Niet alleen voor de patiënten zelf, maar ook voor hun omgeving. ‘Sommige partners waren in hun hoofd al bezig de uitvaart te plannen.’

Ook de omstandigheden van het sterven spelen daarin mee, zegt hij. Dat er niemand bij mag zijn en dat het afscheid in besloten kring moet plaatsvinden – ‘dat is een vorm van geweld die we niet mogen bagatelliseren’.

Nu we aan het begin van een tweede golf staan, maakt hij zich zorgen. Op persoonlijk niveau: hoeveel kan hij nog betekenen voor de mensen om hem heen? Maar ook in bredere zin, over de samenleving. We zijn een verwend kind geworden dat gewend is iedere keer nieuwe speeltjes te krijgen, zegt Van den Berg. Een aantal vakanties per jaar, retourtjes Barcelona voor 22 euro. ‘Nu dat niet meer gaat, vraag ik me af of we daaraan kunnen wennen of dat dit tot openlijke woede zal leiden. Daarnaast gaan we ook een spannende tijd tegemoet. Wat gaat er in Amerika gebeuren? Wie komt er in de plaats van Angela Merkel, wat gebeurt er met de verkiezingen hier? Hoeveel wijsheid is er in ons leiderschap? Of draait alles om kortetermijnbelangen?’

En dan zijn er de gevolgen voor mensen in hun dagelijks leven. Hij noemt het voorbeeld van de feestzaal in Boerhaar, zijn geboortedorp, vroeger de parochiezaal. Zijn familie heeft er altijd alle feesten gevierd, bruiloften en uitvaarten. Zelf vierde hij er zijn veertigjarig priesterschap en tegelijkertijd zijn pensionering. ‘Deze week hoorde ik dat alle medewerkers er zijn ontslagen, want er zijn geen feesten meer.’ De uitzichtloosheid voor de jongere generatie blijft nu onderbelicht, ziet Van den Berg, vanwege de meer prangende vragen over welke maatregelen we nu moeten nemen om het virus in te dammen. ‘Corona is veel meer dan een ziekte, het is een cultuurcrisis.’

ontregeld

Ook al is Van den Berg een katholieke priester, de vragen van de mensen die hij begeleidt, probeert hij niet te theologisch te benaderen. ‘Theologen zijn moeilijke mensen en eigenlijk helemaal niet opgeleid voor zulke grote waarom-vragen. Dan komen ze met dikke boeken aan of zeggen dat God er een bedoeling mee heeft. Maar degene die de vraag stelt, is misschien wel met iets heel anders bezig. Op het moment dat ik zeg: ‘‘Vertel eens’’, komt er bijvoorbeeld uit dat het allemaal zo slecht uitkomt omdat iemands zoon zou gaan trouwen. ‘‘Oh’’, zeg ik dan. ‘‘Dus u stuurt dat voor uw gevoel ook nog in de war?’’ Achter alle vragen zitten verhalen en als mensen die kwijt kunnen, zijn ze alweer een hele stap verder, is mijn ervaring.’

Dat de waarom-vragen opkomen in een crisis, komt doordat het vanzelfsprekende weg is. ‘Je moet alles wat ontregeld is geraakt, weer ordenen. Daar komt die vraag uit voort; dat is niet direct een filosofische of theologische vraag.’ Dat betekent niet dat er geen theologische basis ligt onder zijn werk. Net zoals hij de patiënt als leraar wil zien, heeft hij ook een theologische omkering: hij wil leren van de lijdende. ‘Met een lange ij, ja. Leuk dat je dat vraagt. We denken altijd dat we de leidende moeten gehoorzamen. In de discussie over Staphorst was de vraag bijvoorbeeld: wie gehoorzamen we, God of de overheid? Daarmee maak je die twee concurrenten van elkaar. Maar in veel bijbelse verhalen wordt juist duidelijk dat we naar de lijdende moeten luisteren, de kwetsbare. Jesaja zegt het al: het geknakte riet zal Hij niet verbreken.’

Dat de mensen voor wie de kerk een plek van inspiratie is, daar nu niet heen kunnen, is heel pijnlijk, erkent hij. ‘Dat moeten we goed in het oog houden, anders gaan we op elkaars wonden staan, zoals nu bij de Staphorsters gebeurt. Maar ik denk dat we niet in die concurrentiehouding – God of de overheid – moeten schieten, maar juist betekenisgesprekken met elkaar moeten gaan voeren. Wat betekent alles wat er nu gebeurt voor die ander? Dat zie ik als mijn taak, maar misschien kunnen we dat allemaal wel een beetje leren.’

En dat, zegt Van den Berg, leidt uiteindelijk tot orde in de chaos, tot loskomen uit het isolement en de beladenheid. En uiteindelijk meer mildheid in plaats van verharding. ‘We moeten allemaal omgaan met de ontdekking hoe kwetsbaar we eigenlijk zijn. Met de onwetendheid en onzekerheid. Ik hoop dat de verhalen uit dit boekje mensen ertoe aanzetten hierover na te denken. Dat ze werken als een spiegel voor jezelf.’ 

specialist in rouw, verlies en ouder worden

Marinus van den Berg (1947) werd geboren in Boerhaar, een klein dorp bij Wijhe, tussen Zwolle en Deventer. Hij studeerde theologie aan de toenmalige Katholieke Hogeschool Utrecht en de University of Yale in de Verenigde Staten. Hij werd in 1977 tot priester gewijd, werkte acht jaar in een verpleeghuis in Apeldoorn en daarna vijftien jaar in Almelo, voor hij de overstap maakte naar Rotterdam. Daar was hij naast zijn werk als geestelijk verzorger betrokken bij de oprichting van Cadenza, het grootste hospice van Nederland.
Van den Berg is gespecialiseerd in rouw, verlies en zingeving in de zorg en bij het ouder worden en schreef talloze boeken over die onderwerpen. In 2017 ging hij officieel met pensioen, maar dit voorjaar ging hij weer aan het werk bij het revalidatiecentrum Intermezzo om coronapatiënten te begeleiden.

N.a.v. Stap voor stap. Opnieuw leven na corona, Uitg. Adveniat, Baarn 2020. 64 blz. € 9,99

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s